Het recht op mobiliteit in de grondwet

De commissie Grondwet en Institutionele Vernieuwing van de Kamer van volksvertegenwoordigers verzocht het FIRM om advies over een voorstel om art. 23 van de Grondwet aan te vullen met een recht op mobiliteit. Hiervoor consulteerde het FIRM verschillende partners: Unia, het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen en het Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting.

In dit advies wordt o.m. ingegaan op de toegevoegde waarde van de verankering van een recht op mobiliteit in de Grondwet ten opzichte van de bestaande bescherming. Er is momenteel namelijk geen grondwettelijke bepaling die het recht op mobiliteit uitdrukkelijk als een autonoom en fundamenteel recht verankert, maar een bescherming van de toegang tot mobiliteit valt wel af te leiden uit andere bepalingen in zowel het internationale als het Belgische recht.

De verankering in de Grondwet van een recht op mobiliteit zou het mogelijk maken de bescherming van de mensenrechten in België te versterken, al dient deze verankering wel met de nodige omzichtigheid te gebeuren. Er is nood aan een parlementair debat om te verduidelijken welke rechten en plichten het recht op mobiliteit met zich zou meebrengen (denk aan het recht op collectieve actie). Ook moet het verband tussen toegankelijkheid en het recht op mobiliteit beter tot uiting komen en moeten er realistische en doeltreffende handhavingsmechanismen worden voorzien. Het FIRM raadt aan een bredere raadpleging rond het onderwerp te organiseren.

naar boven